Over Nijgh & Van Ditmar

Deel 1: 1837-1940

door Johannes van Dam

Twaalf mei 1940, vier uur in de middag. Doeke Zijlstra, directeur van uitgeverij Nijgh & Van Ditmar, spoedt zich over het Beursplein te Rotterdam, met op zak de haastig bij de bank gehaalde voorschotten op het salaris van de personeelsleden en honoraria van auteurs van de uitgeverij. Het waren immers onzekere tijden. Uit een raam wordt geschoten. Met scherp. Een verdwaalde kogel treft Zijlstra en hij sterft ter plekke. Nooit zal hij de uitgeverij weerzien. Niemand trouwens, want van het aan de Wijnhaven gelegen bedrijf blijft diezelfde dag geen steen meer op de ander staan. Net als de dependances van de grote onderneming aan Blaak en Wijnstraat, is het door de Duitse bombardementen met de grond gelijkgemaakt, samen met het hart van de stad. Voorraden en archief zijn reddeloos verloren. Maar niet Uitgeverij Nijgh & Van Ditmar. Een uitgeverij is meer dan personeel, voorraden en archieven. Een uitgeverij is een gedachte, een inspiratie, en niet te vergeten: het werk van de auteurs. Dat schiet je niet neer, dat bombardeer je niet plat.

Henricus Nijgh had waarschijnlijk heel andere dingen in gedachten toen hij in het Nieuwsblad voor den Boekhandel van 7 december 1836 aankondigde dat hij per 1 januari van het volgende jaar te Rotterdam een boekhandel wilde stichten. Plechtig beloofde hij de uitgevers, zijn toekomstige geldschieters, dat hij braaf met hun spullen zou omgaan en hen niet wilde beconcurreren. Maar daar zou het wel op uitdraaien, en hoe!

Nijgh voelde algauw de behoefte om zelf boeken te maken. Allereerst probeerde hij boeken te laten vertalen, want het buitenland was zijn inspiratie. Het leverde Nijgh meteen zijn eerste conflict in uitgeversland op. In 1838 kreeg hij het aan de stok met zijn Haagse collega Vervloet over de rechten van de uitgave van Iris, een blad dat bloemleesde uit buitenlandse tijdschriften. Nijgh won en deed er zijn voordeel mee. In datzelfde jaar publiceerde hij Sterke dranken, de pest der maatschappij, en er rolden meer van dat soort stichtelijke geschriften van de persen, waaronder menige bijbel, zij het in geïllustreerde volksuitgaven, dat wel.

Het werd Nijgh al snel duidelijk dat je, als goed zakenman, alle facetten van het productieproces in eigen hand moest houden. Dus ging hij zelf het drukwerk verzorgen. Om de persen dagelijks te kunnen laten draaien en het geld te kunnen laten rollen, richtte hij in 1843 het Rotterdamsch staats , handels , nieuws en advertentieblad op. De naam sprak niet erg aan en dus veranderde hij die in januari 1844 in Nieuwe Rotterdamsche Courant.

De boekuitgaven volgden elkaar in hoog tempo op, waarbij Nijgh als courantier de actualiteit goed in het oog hield. Zo verscheen in 1845, ten tijde van de grote aardappelcrisis die half Ierland uitroeide en ook ons bedreigde, Hongersnood of wat staat ons anders voor de deur bij het mislukken van de aardappeloogst? Wat moet in deze tijd gedaan worden?

Als courantier wist Nijgh dat veel van de winst uit advertenties moest komen. Daar hij acquisitie, ontwerp en plaatsing niet alleen bij hemzelf, maar ook bij anderen efficiënter en profijtelijker wilde laten verlopen, richtte hij in 1846 een eigen advertentiebureau op, het eerste in Nederland. Wat nu het Handboek voor de Pers is, een gids ten behoeve van adverterend Nederland met alle kranten en tijdschriften waarin geadverteerd kan worden, was toen het idee en een uitgave van Nijgh. In die vorm is het nog steeds een publicatie van Nijgh Periodieken.

Om de eigen drukkerij lucratief te houden werden de reclamemogelijkheden uitgebreid; het waren geen lege advertentiefuiken. In 1861 verscheen het eerste nummer van De Salon, een muziektijdschrift. Bovendien gaf Nijgh bladmuziek en operatekstboekjes uit. Nijgh bediende vele markten. Want in hetzelfde jaar publiceerde hij Nijghs Nieuwe Beweegbaar prentenboek, waarbij door aan strookjes te trekken onderdelen bewogen, omdat het jaar daarvoor het eerste Beweegbaar Prentenboek een groot succes was gebleken.

Dat Nijgh bij de tijd was, blijkt wel uit de publicatie in 1862 van de vertaling van Les Misérables van Victor Hugo, nota bene hetzelfde jaar waarin het origineel verscheen. De sprookjes van Grimm zagen in 1865 het licht. En Nijgh was de voorganger van die andere Rotterdammer, de posterkoning Verkerke, blijkens de aanbieding van allerlei plaatwerk: Feestplaat Waterloo bijvoorbeeld en een portret van Kooning Willem ii, ‘om voor uw raam op te hangen’.

Dat de zaak floreerde was duidelijk. En als veel groeiende bedrijven zocht Nijgh naar fusiepartners. In 1864 associeerde Henricus Nijgh zich met Willem Nicolaas Josua van Ditmar, al handhaafde hij de naam Nijgh. Pas in 1870 werd de naam Nijgh & Van Ditmar gebruikt. De oude heer Nijgh trad in 1873 uit de firma, ten behoeve van zijn zoon J.C. Nijgh.
Ook zonder Henricus bleef de uitgeverij zich altijd beijveren de geest van de tijd weer te geven. Staatshoofden, ministers en kamerleden werden geportretteerd, geen ramp werd onbesproken gelaten, geen techniek en ook geen publiek gemeden.
In 1871 verscheen het tijdschrift De huisvrouw, met als gratis bijlage `Het Nieuws van de Week, lectuur voor huiskamer en keuken. Vooral als lectuur voor onze dienstboden bevelen wij het bij U aan. Ook die kunnen tegenwoordig lezen en lezen zelfs gaarne’.

In 1878 meldde de firma haar afnemers: `Scheurkalenders zijn sinds eenige jaren à l'ordre du jour', om vervolgens haar Scheurkalender van de huisvrouw voor 1879 en 1880 in een zacht bedje te laten vallen.
Nijgh & Van Ditmar bleef de hele productie in eigen hand houden. Zo konden ze bijzondere technieken vergende uitgaven, zoals tijdschriften, scheurkalenders en bewegende prentenboeken concurrerend op de markt brengen.

De nieuwe druktechnieken en de prachtbladen die de firmanten in het buitenland zagen verschijnen, brachten hen ertoe zoiets in ons land op poten te zetten. In 1894 volgde de Wereldkroniek, een tijdschrift op fraai papier, gedrukt op de nieuwe chemigrafische drukpersen – op dat moment de enige in hun soort in Nederland – waar clichés in zink werden geëtst.
Wie wilde, tekende in op een serie als `Het Prachtwerk De Staatshoofden der Wereld'. De aanbiedingsfolder toont het portret van de Khan van Kalat, lang vergeten; of dat Kalat in Pakistan, Afghanistan, Iran of Birma lag, blijft ons, niet-intekenaars, een raadsel.
Nijgh & Van Ditmar stond stevig op de rails en nam een vooraanstaande plaats in de Nederlandse boeken , kranten- en tijdschriftenuitgeverij in ons land in.

In 1895 overleed de oude Henricus Nijgh. Nijgh & Van Ditmar werd in 1908 een naamloze vennootschap, toen H. Nijgh J.Czn (1873-1948) aftrad als directeur om NRC te gaan leiden. Deze kleinzoon werd later op zijn beurt de oude Nijgh genoemd, bijvoorbeeld toen hij Vestdijk ontsloeg.
De uitgeverij publiceerde in de eerste jaren van deze eeuw werken over uiteenlopende zaken, zoals Jiu Jitsu van K. Saito (derde druk 1909), de huishoudelijke proefjes uit Tom Tit: Natuurkunde in de huiskamer, het geïllustreerde werk van Kate Greenaway en tientallen gastronomische juweeltjes, een belangrijke winstmaker voor Nijgh.

Algemener dan Nijgh & Van Ditmar kon een uitgeverij niet zijn, zou je zeggen. Toch was Nijgh ook toen al meer geïnteresseerd in literair werk, of bellettrie, zoals sommigen dat beliefden te noemen. Alleen vonden ze niet veel van hun gading.
Daarom werd in 1909 een wedstrijd uitgeschreven, of, zoals ze zelf schreven, een `Prijsvraag voor letterkundigen: Wij wenschen het schrijven van frissche, degelijke Hollandsche boeken, die een boeiende handeling bevatten, aan te moedigen door uit te looven: een eersten prijs van  500 en een tweeden prijs van  250 voor een roman van 100.000 tot 150.000 woorden.'
Zo verwierf de uitgever het eigendom van de bekroonde romans en claimde tevens voor  100 de rechten van niet-bekroonde manuscripten ( 500 is nu ongeveer  2500). Dat had Nijgh & Van Ditmar destijds voor de bellettrie over. De auteurswet van 1912 kwam, niet helemaal zonder reden, kort daarop.
In 1910 voltrok zich een verandering die door sommigen een ramp werd gevonden, maar die waarschijnlijk wel het behoud van Nijgh & Van Ditmar in de daaropvolgende roerige halve eeuw heeft betekend: Jan Theodoor Piek, tot dat moment gewoon leerling en medewerker van het bedrijf, werd benoemd tot directeur. Dat hij de schoonzoon van N.M.A. van Ditmar was, zal daar niet helemaal vreemd aan zijn geweest.
Piek werd beschouwd als een weinig muzisch man – een `centenkakker' zou een kritische opvolger hem later noemen. Misschien had hij zijn naam niet mee, maar in ieder geval lette hij inderdaad goed op de centen.
Piek was waarschijnlijk degene die opdracht gaf aan W. van Konijnenburg het logo te ontwerpen van het steigerende paard, waarmee het uitgeversembleem `Nimmer Dralend' verbeeld werd. De reeks met dezelfde naam volgde in 1933. Een van de eerste acties die Vic van de Reijt na zijn aantreden als redacteur in 1987 ondernam was overigens het opheffen van deze serie.
Maar misschien was Pieks voornaamste gooi naar onsterfelijkheid wel het benoemen van Doeke Zijlstra tot mededirecteur, in 1921.

Doeke Zijlstra (1889-1940) was een Fries met melancholische trekjes. In 5 auteurs over hun uitgever, het jubileumboek bij het 125-jarig bestaan van Nijgh & Van Ditmar, schetsten enkele auteurs Zijlstra als volgt: hij `had de tedere gesteldheid van een dichter die Nijgh & Van Ditmar een levende ziel schonk', aldus Maurice Roelants. En Gerard Walschap voegde aan dit beeld toe: `Hij wilde in de firma N&vD, die sinds jaren goed geld verdiende met een dagblad, een advertentiebureau, een weekblad en schooluitgaven, ook een letterkundige uitgeverij oprichten voor de besten van zijn en mijn generatie, niet om geld te verdienen, maar voor het cultureel prestige.'
Zijlstra werkte natuurlijk niet alleen. Hij werd geassisteerd door zijn trouwe `Meyer', de dichter Laurens Th. van der Waals (pseudoniemen Arnold Lottem en A. van Lottum), en door de beruchte edelfascist en Bruning-adept, de dichter Hans M. Klomp – vooral bekend onder zijn pseudoniemen Kameraad Pijl en Boog, M. Opstro en Mien Proost.
Zijlstra wist de fine fleur van de Nederlandse letteren aan zich te binden, van Bordewijk tot Vestdijk en van Slauerhoff tot Nescio. De banden die in die tijd nog met NRC bestonden, hielpen menig Nijgh-auteur aan aardige schnabbels, al was dat geen garantie voor blijvend geluk.
Simon Vestdijk daarover: `Zo mocht ik wel aannemen, dat Doeke Zijlstra, toenmalig directeur die zich met de belletristische uitgaven belastte, er kapot van was toen ik bij de nrc ontslagen was als redacteur Kunst en Letteren, welke positie, of halve positie (ik kwam er maar één dag in de week), ik in hoofdzaak aan zijn voorspraak te danken had gehad. Hoewel ik na de scheidbrief van de oude heer Nijgh door het huis liep te huppelen, omdat ik er vanaf was en in Doorn een literair deugdzaam bestaan kon gaan opbouwen, meende ik mij tegenover de buitenwereld te moeten aanstellen als diep gegriefd...'
Zijlstra liet zich echter niet door Vestdijk bij de neus nemen en reageerde tot diens verbazing nauwelijks.

De oprichting van het belangrijke literaire tijdschrift Forum, in 1931, was vooral het werk van Zijlstra. Vestdijk lichtte de motieven als volgt toe: `De opzet om langs deze weg jonge begaafde schrijvers te “vangen” lijkt mij als verklaring ten enen male onvoldoende; want het vanginstinct mag dan de natuurlijke en geenszins schandelijke basis zijn van de omgang met wie niets liever willen dan zich te laten vangen, er bestaan waarachtig wel andere middelen voor een uitgever om zijn fonds uit te breiden dan zulk een ingewikkelde, kostbare en bij voorbaat geen succes belovende opzet als een tijdschrift waarin niet in de eerste plaats de populariteit wordt betracht. Zijlstra had eenvoudig plezier in Forum; hij had m.i. ook wel iets van een gokker, tot op een zeker punt; hij was misschien ook een tikje ijdel, en gebruikte Forum tussen visitekaartje en uithangbord in.'
Zijlstra werd, zoals menig Nijgh-functionaris, met Belgische versierselen gelauwerd, in zijn geval Ridder in de orde van Leopold ii. De Nijghs hadden, als goede zakenlieden, hun bezigheden nooit laten beperken door de staatsgrenzen, maar door de mogelijkheden, en die strekten tot de uiterste grenzen van het taalgebied. Zo heeft Vlaanderen bij Nijgh & Van Ditmar altijd een belangrijke rol gespeeld. Forum had zelfs een Nederlandse én een Belgische redactie. Onenigheid tussen de twee redacties over de publicatie van het verhaal `Virginia' van Victor Varangot, heeft Zijlstra ertoe gebracht zijn eigen geesteskind eind 1935 weer om zeep te helpen.
Dat maakte in 1937 de festiviteiten rond het honderdjarig bestaan van het bedrijf er niet minder om. De pers berichtte er uitvoerig over, vooral natuurlijk nrc. Er werd een fondscatalogus uitgegeven waarin 1400 gangbare titels voorkwamen, van bellettrie tot aanwijzingen om een automobiel te bedienen en van schoolboeken tot kookboeken. In de Kunstkring in Rotterdam werd een tentoonstelling gehouden, waar de prestaties van zowel uitgeverij, drukkerij als advertentieafdeling getoond werden.

Aan dat alles leek die middag van 12 mei 1940 een eind te komen, al probeerde Piek te redden wat er te redden viel. In de woorden van Bordewijk: `Na het omkomen van Zijlstra bleef als enige directeur van de uitgeverij J.Th. Piek over. Om redenen van delicatesse beperken we ons hier tot slechts enkele woorden nopens zijn houding tegenover ons verlies. Zodra hij daarvan vernam zond hij onder moeilijke verkeersomstandigheden zijn reiziger naar ons noodadres en hielp spontaan mee aan de dichting van een gat waarbij de Nederlandse bank ten nauwste was betrokken.'
Nijgh & Van Ditmar ontvluchtte het verwoeste Rotterdam en vestigde zich in Den Haag en Voorburg. Zonder ooit directeur te worden nam Van der Waals de door Zijlstra opengevallen plaats in. Piek bleef directeur, de auteurs bleven de auteurs, maar de ziel leek de zaak ontvlogen.
Voor sommige uitgeverijen zou dat de doodklap betekend hebben, maar Nijgh & Van Ditmar had een ijzeren titelbestand dat de uitgeverij door magere, dralende jaren wist te voeren naar een tweede jeugd.
Nimmer Dralend is het devies. Het had Nil Desperandum kunnen zijn.

Deel 2: 1940 – heden

door Frederik van der Kamp

In het eerste deel van deze uitgeverijgeschiedenis schetst Johannes van Dam hoe Vic van de Reijt bij zijn aantreden als hoofdredacteur van Nijgh & Van Ditmar in 1987 de Nimmer Dralend-reeks de nek omdraaide. Een weinig fraaie start ben je geneigd te denken. Immers, in die Nimmer Dralend-reeks werd het ‘oud goud’ van de uitgeverij herdrukt: de toptitels van Vestdijk, Bordewijk, Slauerhoff en Nescio, maar evengoed bijna alle romans van Antoon Coolen en favorieten van de boekenlijst als Het wassende water van Herman de Man, Ik en mijn speelman en De kleine Rudolf van Aart van der Leeuw en De ogen van Roosje van Clare Lennaert.

De Nimmer Dralend-reeks was na de oorlog het fundament van de uitgeverij. De boekjes verschenen in een kartonnen bandje, voorzien van een oranje stofomslag. Later werd die kleur groen en nog later wit. De boekjes waren typografisch keurig verzorgd, de prijs werd laag gehouden, mede door een zuinig royaltybeleid van directeur Piek en zijn latere opvolger E. Van Dam van Isselt. Ruimte voor experimenten en nieuwe auteurs was er nauwelijks. De fondslijst die Doeke Zijlstra en Laurens van der Waals hadden bijeengebracht was dusdanig groot dat er gemakkelijk tweemaal per jaar een aanbieding gemaakt kon worden met oude titels. Daarnaast zorgden Vestdijk, Coolen en Bordewijk voor een regelmatige nieuwe productie, waaraan de redactie de handen meer dan vol had. Vestdijk was zelfs zo productief dat in goed overleg besloten werd zijn essays aan Meulenhoff te gunnen en een deel van de romans aan De Bezige Bij. Zo verscheen er elk jaar een historische roman bij Nijgh en een psychologische roman bij de Bij.

De weinig productieve Nescio kon maar op weinig clementie van Piek rekenen. Toen hij eind jaren veertig een kleine bundel verhalen aanbood (Boven het dal) werd die geweigerd, met de klassieke uitgeverssmoes dat de tijden hard waren en verhaaltjes maar moeilijk verkochten. Uiteindelijk belandde het bundeltje in 1961 bij G.A. van Oorschot die het met veel kabaal als Nescio’s zwanenzang publiceerde, tot groot ongenoegen van Van Dam van Isselt, die ook nog bitter vaststelde dat zijn concurrent zich meester had gemaakt van Mene tekel, een titel die ook al sinds zes jaar door Nijgh werd gevoerd. Een heftige briefwisseling maakte in ieder geval aan die laatste misstand een eind. Maar het zou tot het jaar 1996 duren eer de opvolgers van beide uitgevers erin slaagden een gezamenlijke uitgave van Nescio’s Verzameld werk op de markt te brengen.

Met de komst van romancier en lector Pierre H. Dubois in de vroege jaren zestig leek het tij te keren. Mede op zijn aandringen werd contact gezocht met de Rotterdamse redacteuren van het Vlaams-Nederlandse tijdschrift Gard-Sivik, dat zelfs onderdak kreeg in het statige Scheveningse pand. Een aantal opvallende debuten in een serie ‘Nieuwe Nijgh Boeken’ was er het gevolg van: De avonturen van Cornelis Bastiaan Vaandrager, Armando met zijn Verzamelde gedichten en Hans Verhagen met zijn klassiek geworden dichtbundel Rozen & Motoren. Ook de jonge schrijver Bob den Uyl werd ingelijfd; hij debuteerde met de verhalenbundel Vogels kijken. Ondertussen diende zich in Gard-Sivik het brutale talent Jan Cremer aan. Maar zijn werk was niet besteed aan Van Dam van Isselt, die zich toch al ergerde aan de progressieve praatjes die de Gard-Sivik-redacteuren in zijn directiekamer uitkraamden. Zo werd Ik Jan Cremer niet door Nijgh uitgegeven, maar door De Bezige Bij, waar het boek zich ontpopte tot een Onverbiddelijke Bestseller. Inmiddels was ook Gard-Sivik opgeheven en volgde een uittocht van de redacteuren naar De Bezige Bij, terwijl Bob den Uyl bij Querido onderdak zocht.
In hun plaats traden de schrijvers rondom het progressief-christelijke tijdschrift Kentering aan, maar in de wilde jaren zestig en zeventig kregen die nauwelijks krediet van het lezerspubliek. Nadat Van Dam van Isselt was opgevolgd door zijn secretaresse José Waerenbeek werd een koerswijziging ingezet, met meer aandacht voor detectives en andere populaire literatuur.

Begin jaren tachtig geraakte de uitgeverij in een crisis. Er werd een samenwerking aangegaan met de eveneens Haagse uitgeverij Leopold; deze laatste zou zich gaan specialiseren in het uitgeven van kinder- en jeugdliteratuur. Nijgh & Van Ditmar werd gesplitst in een educatieve uitgeverij en een literaire tak, die zich met de naam ‘Nijgh Belletrie’ tooide. Leopold-directeur Liesbeth ten Houten nam ook Nijgh onder haar hoede. Met jeugdig enthousiasme en een goed zakelijk instinct saneerde zij de fondslijst, trok nieuwe auteurs aan, onder wie vele van Indische afkomst, en gaf de klassieken hun oude plaats terug.

In 1985 kwam Nijgh & Van Ditmar samen met Leopold in handen van de Weekbladpers Groep. Twee jaar later verhuisden de uitgeverijen naar Amsterdam, naar het beroemde pand Singel 262, tevens het huisadres van De Arbeiderspers en Querido. Nijgh/Leopold kwam onder een tweehoofdige leiding: Liesbeth ten Houten richtte zich voortaan uitsluitend op de jeugdboeken van Leopold; de van Bert Bakker overgekomen Vic van de Reijt nam de volwassen ‘Belletrie’ voor zijn rekening. De uitgeverij ging gewoon weer heten naar haar oprichters: Nijgh & Van Ditmar.
De verhuizing naar de Amsterdamse binnenstad betekende een breuk met het wat degelijke, stoffige imago van de oude Haagse uitgeverij. Als gezegd werd de Nimmer Dralend-reeks opgeheven, die in feite alleen nog in naam bestond. De klassiekers verschenen allang niet meer in de goedkope kartonnen bandjes, maar in een gewone paperbackuitvoering en dito prijs.
De belangrijkste nieuwe impuls die Van de Reijt aan de uitgeverij gaf, was de uitbreiding van het fonds met kwaliteitstitels op het terrein van de non-fictie. Het eerste succes was het Himalaya dagboek (1988) van Mount Everest-bedwinger Bart Vos, dat in korte tijd vijfmaal herdrukt werd. Andere klimmersboeken volgden, met Over de rand van de Engelsman Joe Simpson als absolute topper. Van dit bloedstollende overlevingsverhaal zijn inmiddels meer dan 100.000 exemplaren verkocht. Andere opvallende boeken uit die pioniersperiode waren de biografie van P.A. Daum door Gerard Termorshuizen, de Italiaanse avonturen van NRC-journaliste Marjon van Royen, gebundeld in Italië op maandag, en de gastronomische beschouwingen van Johannes van Dam (Alles moet op).
Nieuwe literaire auteurs dienden zich aan: Lisette Lewin voorop (Voor bijna alles bang geweest, Een hart van prikkeldraad), de al wat oudere debutant Frans Pointl in haar kielzog. Na een gedenkwaardig optreden in het televisieprogramma van Adriaan van Dis groeide de schlemiel Pointl uit tot een nationale bekendheid. Zijn boek De kip die over de soep vloog beleefde herdruk op herdruk, maar viste, tot grote ontevredenheid van het lezerspubliek, net achter de AKO Literatuurprijs. Het nieuwe televisie-optreden was evenwel opnieuw goed voor hoge verkoopcijfers.

In de jaren negentig ontwikkelde Nijgh & Van Ditmar zich tot een spraakmakende literaire uitgeverij. Van de Reijt werd daarbij ondersteund door Joost Nijsen, die later via Balans naar Podium zou vertrekken, en de jonggestorven Henk Figee, die vele buitenlandse auteurs introduceerde, onder wie Roddy Doyle. Hoe groot de aantrekkingskracht van de uitgeverij was, blijkt wel uit het rijtje debutanten van toen: Kees van Beijnum, Herman Franke, Ronald Giphart, Rob van Erkelens, Paul Mennes en Pam Emmerik. Het tijdschrift Zoetermeer was daarbij van grote betekenis als spreekbuis van de zgn. Nix-generatie, maar het ging al snel ten onder aan zijn eigen succes. De Canadese schrijfster Ann-Marie MacDonald, een ontdekking van nieuwe redacteur Lidewijde Paris, behaalde met haar debuutroman Laten wij aanbidden een spectaculaire boekenverkoop in Nederland.

De belangrijkste nieuwe Nijgh-auteur diende zich in 1994 aan. De 23-jarige Arnon Grunberg zorgde met zijn roman Blauwe maandagen voor een ‘zeldzaam moment in de Nederlandse letteren’, zoals NRC Handelsblad het formuleerde. Jan Vrijman trok in Het Parool de vergelijking met de publicatie van De avonden indertijd. Grunberg ontpopte zich als een multitalent; behalve veelbekroonde romans (Figuranten, Fantoompijn, De asielzoeker) heeft hij verhalen op zijn naam staan, feuilletons, gedichten, essays, columns, toneelstukken en scenario’s. Daarnaast beschikt hij over een groot polemisch talent – met al zijn kwaliteiten drukt hij de voetsporen van een schrijver als Willem Frederik Hermans. Maar velen achten Grunbergs stilistische gaven nog groter.

De zorg voor het ‘oud goud’ van Nijgh is altijd overeind gebleven. In de eerste tien Amsterdamse jaren werd het Verzameld werk van F. Bordewijk voltooid (13 delen), verschenen gebonden edities van Slauerhoffs verzamelde gedichten en proza, de Verzamelde romans van P.A. Daum in drie delen dundruk, het Verzameld werk van Nescio in twee delen (i.s.m. Van Oorschot) en een cassette met een kritische editie van alle acht Anton Wachter-romans van S. Vestdijk. Vlaams redacteur Harold Polis was de drijvende kracht achter de driedelige dundrukuitgave van de Brieven van Gerard Walschap.

In 1997 maakte jeugdboekenuitgeverij Leopold zich definitief los van Nijgh, dat op haar beurt organisatorisch aansluiting zocht bij buurman Querido. Maar de redactionele onafhankelijkheid en de daarbij horende vrijzinnigheid bleven bestaan.

De belangrijkste uitbreiding van het fonds is die op het terrein van muziek en cabaret. In korte tijd is Nijgh hierin marktleider geworden, dankzij een veelheid van serieuze tekstuitgaven, variërend van de acrobatische rijmoefeningen van Drs. P tot aan de scherpe liedteksten van De Dijk. Andere hoogtepunten waren onder meer het multimediale televisiekoffertje van Ja Zuster, Nee Zuster en The Beatles Anthology, waarbij Nijgh de Nederlandse rol op zich nam in een internationaal samenwerkingsproject.

Nijgh & Van Ditmar neemt de zogenaamde lichte cultuur zwaar en geeft auteurs ruim baan voor bijzondere biografische projecten. Zo publiceerden Henk van Gelder en Annejet van der Zijl zeer geprezen biografieën van respectievelijk Simon Carmiggelt en Annie M.G. Schmidt (Anna). Bart Chabot voltooide onlangs een vierdelige biografische reportage over Herman Brood, een onderneming die met recht een levenswerk genoemd mag worden en die een warm onthaal ten deel viel van pers en publiek.

Anno 2005 hoort Uitgeverij Nijgh & Van Ditmar bij de toonaangevende literaire uitgeverijen van Nederland. Een oudere dichter als Hans Verhagen publiceert zijn verzameld werk Eeuwige vlam, en blijkt in toon nauwelijks te verschillen van die van de jonge slam-dichter Erik-Jan Harmens.

Ten slotte: ongenoemd is nog gebleven de bijzondere typografische verzorging die Nijgh & Van Ditmar aan haar uitgaven besteedt. Bij de jaarlijkse uitreiking van de Best Verzorgde Boeken is de uitgeverij een vaste klant. Dit alles vanuit de overtuiging dat vorm en inhoud onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn en dat een boek waaraan een schrijver jaren heeft gewerkt een duurzame verpakking verdient.