Spoken van deze tijd

Spoken van deze tijd

‘Het valt me op,’ zei ik laatst tegen mijn Haarlemse cursisten, ‘dat jullie nooit over het geloof schrijven. Hoogstens bij wijze van jeugdherinnering. Waarom schrijven jullie niet eens over een bekering?’
De klas keek me ongemakkelijk aan.
‘Een spookverhaal,’ dacht ik hardop. ‘Dat schrijft ook niemand meer.’
‘Spoken bestaan niet,’ zei Ilse.
‘God ook niet,’ zei Thijs.
Toevallig keek ik een paar dagen later naar Scrooge, een verfilming van Dickens’ A Christmas Carol. Binnen drie uur wordt de hoofdpersoon door drie spoken bekeerd van een mensenhatende vrek in een dansende filantroop. Hoe zou dit verhaal met zijn archetypische personages, mokermoralisme en happy end worden beoordeeld als het nu zou worden ingeleverd?
Waarschijnlijk zou de kritiek unaniem luiden dat het verhaal ‘niet van deze tijd was’ en het personage ‘psychologisch ongeloofwaardig’.
Dit zijn de twee meest gehoorde punten van kritiek in de klas. Sterker nog: het zijn dé criteria waar mijn leerlingen elkaars werk, vaak met groot enthousiasme, op beoordelen. Ik zit er altijd wat ongemakkelijk bij.
En nu, aan het begin van een nieuw jaar, kan ik het niet langer voor me houden: die tijdgeest en psychologische geloofwaardigheid zijn de spoken van deze tijd. Het enige wat ze tonen, is het beeld dat mijn leerlingen hebben van literatuur. Daarin komt een hoofdpersoon nooit plotseling, maar altijd geleidelijk tot een inzicht. Dat inzicht is een desillusie en leidt nooit tot een gelukkig einde of een betere wereld.
Tot mijn plezier las ik een week later een verhaal dat althans met één van die wetten brak: in de jaren tachtig viert een Nederlandse vrouw kerstmis bij haar schoonfamilie in Libanon. Een dag voor zij en haar man teruggaan naar Nederland, zegt de echtgenoot: ‘Ik moet nog even naar Beiroet om papieren op te halen. Ik ben morgen terug.’
Na een week is hij nóg niet terug. De vrouw is gek van angst maar kan niets ander doen dan afwachten. Na twaalf dagen staat de echtgenoot weer voor de deur: broodmager, de kleren gescheurd. Hij is opgepakt, in een cel gegooid en gemarteld. De echtelieden houden elkaar vast of ze elkaar nooit meer los zullen laten. Dan houdt de man haar op armlengte afstand en zegt: ‘Al die dagen en nachten in de cel heb ik veel tijd gehad om na te denken. En ik zeg je dit: ik wil niet dat je nog met Jeroen omgaat.’
Sprakeloos kijkt de vrouw hem aan. Jeroen is een ex-vriendje met wie ze twee keer per jaar een kop koffie drinkt. Een vriendelijke jongen die geen vlieg kwaad zal doen.
Twaalf dagen heeft hij de dood in de ogen gezien, denkt ze. En het enige waar hij mee aan komt zetten is dat ik niet meer met Jeroen mag koffiedrinken. Dit huwelijk heeft geen kans van slagen. We gaan scheiden.
‘Een kerstverhaal,’ zeg ik, ‘twee mensen worden overvallen door een inzicht dat hun leven in één klap verandert.’
‘Ik wist niet dat je dat bedoelde,’ moppert Thijs. ‘Ik dacht dat we alleen over een échte bekering mochten schrijven.’
In de literatuur mag alles.

Nicolien Mizee

P.S. Ik geef het stokje door aan Marja Pruis. Zij heeft de allereerste recensie ooit over een boek van mij geschreven en hoewel ik berispt werd om een overdaad aan humor, was ik toch zeer verrast dat iemand mijn boek gelezen had en er ook nog een heel stuk over schreef!