Sam en Moos!
Zoals er binnen de literatuur verschillende genres bestaan, zo is dat het geval binnen de humor. Het vertellen van moppen (‘moppen tappen’) is er een van en Max Tailleur was daar een grootmeester in. Onlangs verschenen er twee Tailleur-boeken: één over hem (Max Tailleur, Mijn leven was geen mop, geschreven door Jan Luitzen) en één van hem (Sam en Moos. De beste moppen van Max Tailleur, samengesteld door Jan Luitzen). Enkele vragen aan Jan Luitzen...
Is Max Tailleur als verteller van moppen met iemand te vergelijken in het Nederlandse taalgebied?
‘Hij was een eenling in het Nederlandse amusement. Er waren in zijn tijd nog wel een paar entertainers zoals Cees de Lange die een goede bak konden vertellen en dat ook deden, maar die konden dan ook meestal zelf zingen en/of muziek maken. Bij hen was een mop een onderdeel van de conference, die zij afwisselden met eigen liedjes aan de piano. Max was de eerste en enige die alleen maar moppen opspoot en voor het liedjesvertier zangeressen inhuurde.’
Is het vertellen van een mop eigenlijk moeilijk?
‘Dacht het wel. Het is een vak apart. Max zelf had als uitgangspunt: “Elke mop is goed als je maar weet hoe je ’m vertellen moet,” maar dat adagium sloeg dan ook alleen op hemzelf. Hij wist echt van elke mop hoe je ’m vertellen moest. Het gaat om de opbouw: eerst de spanning introduceren, dan die spanning opvoeren en ten slotte spanning ontladen. Dat is echt een kunst.’
Kun je Tailleur beschouwen als een volkskomiek?
‘Absoluut. In de biografie worden interessante dingen verteld over het feit dat Max in zijn diepste wezen eigenlijk een volkskomiek was. Door zijn afkomst sprak hij de taal van het volk. Na de oorlog herkende het volk die taal via de sentimentele mop en daarom omarmde het volk Tailleur. Vandaar zijn enorme succes bij de gewone man.’
Tailleur vertelde niet alleen moppen, zijn moppen gingen ─ zo kort na de massamoord tijdens de Tweede Wereldoorlog ─ eerst en vooral over Joden (Sam en Moos) en dat vaak voor een overwegend niet-Joods publiek. Daarbij kwamen zijn uitgesproken Joodse uiterlijk en zijn manier van vertellen. Zo werd Tailleur een karikatuur van De Jood.
‘Max kon niet anders dan op een sentimentele volksmanier proberen om te gaan met de pijn van de Holocaust. Zowel hijzelf als zijn vrouw was zwaar getroffen.
Ik ga in mijn boek uitvoerig in op de kritiek op zijn optreden, vooral uit Joodse kring. Simon van Collem in het Nieuw Israelietisch Weekblad, de latere burgemeester Ed. van Thijn, de journalist Max Pam, ze moesten er niets van hebben. Ralph Prins, maker van het gedenkteken in kamp Westerbork vroeg zich eens af of Max Tailleur wel echt zoveel succes heeft gehad “als je naar het verdriet van hem keek omdat hij zo veel Joodse mensen tegen zich in het harnas had gejaagd.” Maar nogmaals: Max kon niet anders. Het was zijn manier om om te gaan met het verdriet.’
Tailleur klaagde nog wel eens dat anderen zijn moppen stalen, maar hij deed dat zelf ook. ‘De mop was vogelvrij’ volgens hem. Is dat niet wat dubbel?
‘Dat is inderdaad dubbel. Van zijn eigen jatwerk lag hij zelf in ieder geval niet wakker, want in programma’s noteerde hij regelmatig: “Teksten: Gé Jat.” ’
Vindt u Max Tailleur een tragische figuur? Er lijkt niet alleen om zijn moppen te worden gelachen, maar ook om hem als De schlemielige Jood. Hij maakte, anders dan bij voorbeeld André van Duin, de indruk van een tragische clown.
‘Ik denk wel dat Max Tailleur een tragische kant had, maar dan vooral vanwege het feit dat hij letterlijk lachte om niet te huilen. De mop als afleidingsmanoeuvre en deksel op de beerput van de mentale pijn vanwege de oorlog en de fysieke pijn vanwege de reuma waaraan hij leed. Hij was niet zozeer de schlemielige Jood, maar wist wel heel invoelend de schlemielige Jood te spelen die de hoofdpersoon was in zijn witzen, de minitoneelstukjes waarin de sof de hoofdrol had. Zoals hij zelf zei: “De mooiste Joodse moppen gaan allemaal over sof.” Maar Tailleur vertelde ze liever niet al te veel in De Doofpot. “De mensen komen bij mij om te lachen, niet om te huilen”, zei hij in 1960 in Revue.
Het was ook de kern van Max’ eigen verweer tegen de kritiek: “Ik ken de ellende van Moos en Bram, want ik ben toevallig Moos en Bram zelf.” Max wist dat goede humor moeilijk was omdat het was voortgesproten uit de sof. Rijke mensen lachten volgens hem ook niet of nauwelijks.’
Conclusie?
‘Tailleur vond een Jood die uit durfde te komen voor zijn Jood-zijn positiever dan een Jood die zichzelf opsloot. Hij zei eens: “Heus, ik zie wel eens geloofsgenoten van mij in de zaal zitten en als ik een mop over Sam en Moos vertel, kijken die angstig om zich heen, met een blik in hun ogen van: “Ze lachen om mij.” Neen, angstig lachend mens, men lacht niet om u. Men lacht via mij om een tijd die nooit meer terugkomt.” ’
