De bril van Buddingh’
Wie kent niet het beroemde gedicht ‘Pluk de dag’, over het dekseltje van het middelgrote potje Marmite (het 4 oz net formaat), dat toevalligerwijs ook precies past op een klein potje Heinz sandwich-spread? Nota bene blijkt andersom het dekseltje van de sandwich-spread óók op het Marmite-potje te passen. Het is een van de meest geliefde gedichten van C. Buddingh’ (1918-1985). Net als de gedichten over het elastiekje, dat eerst leek op een schaartje en daarna op het brilletje van Bernlef. Of de dertiendelige cyclus die Buddingh’ schreef over zijn kachel – ‘natuurlijk doet hij zijn best,/ maar soms verstikt zijn vuur/ in slakken, sintels, as:/ een kachel is ook maar een mens’. (gedicht X)
Voor veel mensen waren deze gedichten een eerste, prettige kennismaking met poëzie. Buddingh’ schreef toegankelijke en vaak geestige gedichten over alledaagse dingen, waarin meestal een kortstondige verwondering een rol speelt. ‘Ik herken me in zijn kijk, in het verbijzonderen van het gewone,’ schreef Nico Dijkshoorn. Dat is wat Buddingh’ deed: hij maakte poëzie van die alledaagse dingen, hij tilde ze op. Neem bijvoorbeeld het gedicht ‘Kooitje’:
mooi is een kooitje
met een kanarie erin
heel mooi ook een kooitje
met een parkiet erin
met een merel erin, een kolibrie erin,
een slavink erin, een bos wortelen erin,
blokjes marmer erin, een glas water erin
maar het mooiste is eigenlijk
een kooitje met niets erin
Zijn gedichten leren de mensen kijken door een andere bril: de bril van Buddingh’.
Buddingh’ was een veelzijdig dichter. Hij vond aansluiting bij verschillende literaire stromingen. Wanneer je zijn gedichten leest, trekt zowat de gehele twintigste-eeuwse Nederlandse poëzie aan je voorbij. In 1941 debuteerde hij met de bundel Het geïrriteerde lied. Daarna vond hij eerst onderdak bij de experimentele poëzie van de Vijftigers (o.a. als redacteur van het tijdschrift Podium), daarna bij de ‘Nieuwe Poëzie’ van de Zestigers: hij maakte deel uit van het dadaïstische Barbarber en schreef ready-mades voor Gard Sivik. In de jaren zeventig kende het sonnet een opleving; ook Buddingh’ deed daaraan mee en begon aan een autobiografie in sonnetvorm. In de jaren tachtig schreef hij prozagedichten, ‘miniaturen’.
Steeds slaagde Buddingh’ erin een geheel eigen geluid te behouden. Uniek zijn bijvoorbeeld de Gorgelrijmen, gedichten over allerlei fabelachtige ‘Gorgeldieren’, die hij met enige tussenpozen tot in de jaren tachtig is blijven schrijven. De bonte verzameling bevat de beroemde Blauwbilgorgel, maar ook de Wassenneushoorn, de Schommerhannep en de Tralalama, of de hartverscheurend treurige Halvemaanvis:
De halvemaanvis
Heeft toch zo’n verdriet
Omdat niemand hem ooit eens
Voor vol aanziet.
Hij houdt zich stilletjes
Schuil tussen ’t wier
En denkt: was het vast maar
Mijn laatste kwartier.
Soms rolt er een traan
Langs zijn neus naar benee;
Maar wat wil één zo’n traan
In die eindeloze zee?
Afgelopen woensdag 24 november was de 25ste sterfdag van Cees Buddingh’ en de presentatie van Buddingh’ Gebundeld, een kloek boek (1120 pagina’s), samengesteld en bezorgd door Wim Huijser. Het was een mooie avond in Dordrecht, met een goedgevuld programma. Speeches, een muziekuitvoering geïnspireerd op een van Buddingh’s gedichten, het overhandigen van het eerste exemplaar aan de twee zoons van de dichter, en alles live op de radio. Het geheel werd afgesloten door de Dordtse muziekgroep Dichterbij, die een weemoedige, liefdevolle uitvoering gaf van de Halvemaanvis. Buddingh’ mag dan al vijfentwintig jaar dood zijn, zijn werk is nog springlevend.
