Speech Alleen maar nette mensen

Speech <em>Alleen maar nette mensen</em>

Het is nu precies twee jaar geleden dat Alleen maar nette mensen van Robert Vuijsje werd gepresenteerd. Inmiddels zijn we twee literaire prijzen, meer dan 100.000 exemplaren, gigantische media-aandacht en een filmcontract verder. Bijgaand de speech die ik tijdens de presentatie uitsprak – voor iedereen die daar niet bij aanwezig was.

Namens uitgeverij Nijgh & Van Ditmar heet ik u van harte welkom bij de presentatie van de debuutroman van Robert Vuijsje, ALLEEN MAAR NETTE MENSEN. Allereerst wil ik Jan Jaap Heij van De Pers op Zaterdag, de werkgever van Robert, hartelijk danken voor zijn genereuze gebaar u deze avond van drankjes en hapjes te voorzien, en begroet ik in het bijzonder de vrouw aan wie Robert zijn eerste exemplaar zal overhandigen, PvdA-Kamerlid Samira Abbos-Bouchibti, en dan voegen wij nette mensen daar altijd aan toe: ik hoop dat ik het goed uitspreek.
Zijn literair agent Paul Sebes, hier aanwezig, zal het desgewenst kunnen bevestigen: dat hij mij het manuscript van Robert op een ochtend per mail toezond, en dat ik hem diezelfde middag nog een reactie stuurde waarin ik struikelde over mijn eigen superlatieven.
Waarom vond ik het zo’n goed boek, wat trok mij erin aan?
De belangrijkste reden was, dat Robert míjn jeugd had beschreven. Dat moet u natuurlijk niet letterlijk opvatten, maar zeg maar literair, zoals een hele generatie zich destijds ook herkende in bijvoorbeeld romans van Gerard Reve zonder noodzakelijkerwijs zelf de herenliefde te bedrijven. Of zoals een generatie later een spiegel voorgehouden kreeg door Jan Cremer, Jan Wolkers of nog weer later Ronald Giphart en Arnon Grunberg. Zo herken ik in Roberts roman de bijna noodzakelijke drift van een gezonde adolescent om zich af te zetten tegen het milieu waarin hij is opgegroeid, en zich aangetrokken te voelen, geestelijk en lichamelijk, tot een wereld die hij niet kent.
Zoals zijn hoofdpersoon David in de metro stapt naar Amsterdam Zuid-Oost, zo stapte ik bijvoorbeeld als 19-jarige in de trein naar Zuid-Italië, en stond u misschien – afhankelijk van uw leeftijd - te liften naar Frankrijk of toerde u op een scooter door Thailand. Maar waar ik meende heel Europa door te moeten reizen om een gewenste cultuurshock te ervaren – wat je van ver haalt, is lekker, zei mijn moeder altijd -, is Roberts romanpersonage een stuk slimmer en praktischer ingesteld: als je de wereld in wilt, maar je woont bij toeval in Amsterdam, dan héb je de hele wereld al binnen bereik van enkele vierkante kilometers. Robert geeft een verrassend beeld van een wereldstad anno nu – een perspectief op Amsterdam zoals ik het nog niet eerder gezien heb, hoewel ik hier nota bene ben geboren en getogen.
Het was niet alleen het onderwerp wat mij zo aantrok, het coming of age-thema, maar ook de manier waarop Robert zijn lezers meeneemt in een aanvankelijk ook voor hem onbekende wereld. Wat daarbij vooral opvalt is de droogkomische stijl, waarmee hij zowel de zwarte gemeenschappen in Zuid-Oost, de alleen-maar-nette-mensen in Oud-Zuid én de hoofdpersoon met veel zelfspot observeert en beschrijft - zó levensecht dat je bijna zou denken dat het verhaal berust op persoonlijke ervaringen van Robert. De auteur kiest geen partij, maar observeert en ondergaat.
En juist door die unieke positie is het boek ook ongelooflijk actueel: waar er nu een tendens is de barricaden op te gaan ter verdediging van de eigen cultuur, laat Robert de kortzichtige kleinburgerlijkheid zien van iedereen die net iets te fanatiek in eigen normen en waarden gelooft.
En dat is de vreemde paradox die dit boek openbaart: daar waar de politiek steeds meer een fictieve, verdraaide voorstelling van de werkelijkheid geeft, beschrijft Robert in deze fictieve, literaire roman juist het werkelijke leven.
Alleen daarom al hoop ik dat iedereen dit geweldig indrukwekkende boek zal lezen, en hoop ik dat Robert nog veel van dit soort boeken voor ons zal schrijven.
Dan geef ik nu graag het woord aan Robert Vuijsje.