Charmeoffensief
Namens uitgeverij Nijgh & Van Ditmar sprak hoofdredacteur Paul Brandt onderstaande speech uit tijdens de feestelijke presentatie van Asta’s ogen – De levenskracht van een Indische familie van Eveline Stoel tijdens het TongTong-festival in Den Haag op donderdag 20 mei.
Bijna iedere Nederlander heeft wel eens iets van haar gelezen, maar toch kennen de meeste mensen Eveline Stoel nog niet. Dat komt omdat zij tot dusver bijdragen schreef voor kranten en tijdschriften – NRC, Rails, Het Parool, Red en Living om er een paar te noemen – en dan zeg je doorgaans: ‘Ik las een goed stuk in NRC,’ en minder vaak: ‘Ik las een goed stuk van die of die journalist.’ Maar vanaf nu komt daar dus verandering in.
Asta’s ogen gaat over Asta Hoyer en haar familie, maar het verhaal had eigenlijk door niemand zo goed beschreven kunnen worden als Eveline: haar liefde voor het onderwerp, haar ervaring, schrijftalent, research en wilskracht zijn voelbaar in iedere zin van dit monumentale boek. Ik wist dat ze tot zoiets in staat was, want ik had het genoegen met haar te mogen werken toen ik eindredacteur was van het tijdschrift Rails, inmiddels alweer een decennium geleden. Toen ik de overstap maakte van de tijdschriften naar de boeken, vroeg ik niet meer: ‘Wil je een stukje schrijven van zeshonderd woorden,’ maar: ‘Schrijf nu eens een stuk van zestigduizend woorden. Maak eens een boek!’
Iets met voetbalvrouwen, dat was het eerste boekplan waar Eveline mee kwam. Ze zag het al helemaal voor zich: eerst een groot interview met Danny Cruijff over het lief en leed dat zij deelt met haar man, en dan zouden de andere voetbalvrouwen wel volgen met hun verhalen. Probleem was wel, zei ik, dat mevrouw Cruijff zo goed als nooit in haar hele leven een journalist te woord had gestaan.
En toen kwam Eveline met een ander plan op de proppen, nu ongeveer vijf jaar geleden: een boek over de belevenissen van de Indische familie Hoyer, haar schoonfamilie. Wat ik toen nog niet wist is dat het makkelijker is om de familie Cruijff aan de praat te krijgen dan een Indische familie. Maar wat de familie Hoyer toen nog niet wist, is dat het geen zin heeft om nee te zeggen tegen Eveline. Ik zal u verklappen hoe geraffineerd zij te werk gaat – ik ben er weliswaar niet zelf bij geweest, maar ik kan me er een voorstelling van maken omdat ik Eveline inmiddels een beetje ken.
Ben je bijvoorbeeld op een feestje saté aan het rijgen, staat opeens Eveline Stoel naast je: ‘Hallo.’ Je weet dat ze met een boek bezig is, dus je denkt: ze kan me wat, ik ben Indisch, ik zeg helemaal niks. Dat kan een heel verstandige houding zijn, maar het is heel onverstandig om dat bij Eveline te doen. Zij heeft namelijk een zeer hinderlijke, maar daardoor zeer effectieve reactie op zo’n houding: ze gaat je alleen nog maar meer aandacht geven. Hoe meer je je probeert te distantiëren, hoe meer aardige ansichtkaartjes, attente cadeautjes en gezellige telefoontjes en bezoekjes je mag verwachten. Ik moet de eerste mens nog tegenkomen die zo’n sterke verdediging kan neerzetten dat hij een charmeoffensief van Eveline kan weerstaan. Dit boek is daarvan het onomstotelijke bewijs: het is Eveline gelukt de Indische zwijgzaamheid te doorbreken, niet omdat dát haar doel was, maar het was een voorwaarde om tegemoet te komen aan haar journalistieke nieuwsgierigheid: ik wil weten hoe het zit en jij kunt het me vertellen.
Ik hoop van harte dat u allen het verbluffende resultaat van haar jarenlange onderzoek gaat lezen, en persoonlijk hoop ik natuurlijk dat het niet bij dit ene boek blijft. Sterker nog, alleen al op basis van dit boek voorspel ik voor Eveline een grote toekomst als schrijver.
Nog één voorbeeld van haar gedrevenheid en toewijding dan. Wij hadden afgesproken dat Eveline haar definitieve manuscript op 1 januari 2010 zou inleveren. Ik zou het ook niet erg hebben gevonden als dat een paar dagen later op mijn bureau was beland, maar zo werkt het bij Eveline dus niet. Op 31 december, oudejaarsavond, heeft zij tot 10 uur ’s avonds doorgewerkt, en toen was het af!
Dames en heren, Eveline Stoel!