CONSTANTIJN HUYGENS
Afgelopen zaterdag mocht ik namens Arnon Grunberg de Constantijn Huygensprijs in ontvangst nemen. Na de P.C. Hooft-prijs is dat de belangrijkste oeuvreprijs voor een auteur die de Nederlandse literatuur beoefent. Arnon, net 39 geworden, is de jongste auteur ooit die deze prijs kreeg toegekend. Hij had een goede reden om de prijs niet zelf in ontvangst te nemen: hij was net onderweg van Istanboel naar Bagdad. Deze keer gaat hij Irak bezoeken zonder dekking van het Amerikaanse leger; de Nederlandse literatuur houdt zijn hart vast.
Daar stond ik dan in Pulchri in Den Haag, godzijdank met een dankwoord in mijn handen dat Arnon bijtijds had doorgemaild. Maar dat niet alleen: ook zijn nieuwe roman zat in de post. Ik was inmiddels tot bladzijde 172 gevorderd; in de trein naar Den Haag had ik enkele malen bestraffende blikken van mijn medereizigers gekregen als ik weer eens hardop zat te lachen om zijn krankzinnige dialogen. Het leek me eigenlijk wel een stunt om zijn nieuwe roman te gaan voorlezen in plaats van het dankwoord.
Gelukkig wist de Haagse wethoudster van cultuur (èn financiën zoals zij steeds benadrukte) dit te verhinderen. Zij mocht vier prijzen uitreiken, allemaal namens de Jan Campert-stichting, en bij elke prijs ging zij omstandig uitleggen hoe jammer het was dat zij geen burgemeester was, want anders had ze volop tijd gehad om de boeken van de prijswinnaar te lezen, maar ja ze was nu eenmaal wethouder van cultuur (‘èn van financiën’) en dan had je daar geen tijd voor. Zo schreed de avond voort, er waren uiteraard ook de nodige entre’acts. Een literaire avond is net als mascara, zoals we allemaal weten, hij loopt altijd uit. Ik verlangde steeds meer naar bladzijde 173.
Als laatste was de Constantijn Huygensprijs aan de beurt, waarbij Arnons dankwoord voor het eerste lichte moment zorgde. Vooral toen ik de laatste alinea voorlas: ‘Als ik iets meer tijd en iets meer woorden tot mijn beschikking had gekregen had ik mij verdiept in de vraag wie Constantijn Huygens nu eigenlijk was en dan had ik u in mijn dankwoord lastig gevallen met de resultaten van dat onderzoek.’